13 februari 2007

Definities van voldoende en onvoldoende

Onderstaand essay van Manu Claeys verscheen in De Standaard op zaterdag 10 februari 2007)

IN zijn boek Heat: How to Stop the Planet Burning (2006) schrijft George Monbiot: "Onze vrijheid, ons comfort, onze welvaart zijn alle het product van fossiele brandstoffen, waarvan de verbranding verantwoordelijk is voor de klimaatverandering. Onze generaties zijn de meest fortuinlijke tot dusver, en misschien zelfs de meest fortuinlijke ooit. Wij leven in het korte historische intermezzo tussen ecologische beperkingen en de ecologische catastrofe."

We zijn fortuinlijke generaties. Maar intussen regent het al vijfendertig jaar wetenschappelijke waarschuwingen over de eindigheid van dat geluk. In Grenzen aan de groei (1972) legde de Club van Rome voor het eerst een verband tussen economische groei en de gevolgen ervan voor het milieu. De computermodellen waren nog primitief, de berekeningen ruw, de voorspellingen schetsmatig en vaak onjuist. Andere rapporten volgden, steeds nauwkeuriger in hun prognoses. Milieubewegingen, groene partijen, wetenschappers en individuele burgers namen de vingerwijzingen ernstig, werden pleitbezorgers van het voorzorgsprincipe' - bij grote risico's neem je voldoende maatregelen - maar werden daarin onvoldoende gesteund door hen die de studies in twijfel trokken, niet in het minst door overheden. Hun principe werd soms zelfs belachelijk gemaakt, als onverstandig groen' doemdenken van conservatieve believers.

Op 2 februari 2007 kantelde de balans. Zes jaar wetenschappelijk onderzoek door duizend wetenschappers uit de hele wereld leidde tot één conclusie: de klimaatverandering kunnen we niet meer ongedaan maken, het komt er nu op aan de ergste gevolgen in te perken met drastische maatregelen. Sombere scenario's in het VN-klimaatrapport hebben het over een mogelijke temperatuurstijging van meer dan zes graden tegen het einde van de 21ste eeuw. "Het wordt moeilijk om de opwarming te beperken tot twee graden Celsius", vreest klimatoloog Jean-Pascal van Ypersele, een van de drie Belgen in het VN-klimaatbureau. Eens de opwarming boven de twee graden verliezen we de controle over de klimaatevolutie. Grote ecosystemen raken verstoord. Ze beginnen koolzuurgas af te geven dat ze tot dan opnamen, waardoor het opwarmingsproces nog versnelt en steeds meer koolzuurgas vrijkomt. Tot de temperatuur vier en vijf graden boven het pre-industriële niveau stijgt: het punt waarop lokale overlevingskansen van bevolkingsgroepen bedreigd raken.

Het is vijf over twaalf. Het debat over de klimaatontregeling is voorbij. Twee februari (2/2) is voortaan de dag waarop twee graden weinig én veel werd. Veelzeggend genoeg hoorde sinds enkele jaren ook de verzekeringssector bij de believers. Om evidente redenen investeert die sector zelf veel in eigen klimaatsimulaties. "Voor de sector zijn de besluiten van dit vierde rapport dan ook geen verrassing", liet een risicoanalist van Swiss Re, een Zwitserse herverzekeraar, optekenen na het bekendmaken van het VN-rapport.

Nu begint het debat over de politieke consequenties van het rapport. "De politici kunnen zich niet meer verstoppen", vindt Yvo de Boer, het hoofd van het VN-klimaatbureau. Ontkennen dat ons klimaatbeleid faalt heeft geen zin meer.
Maar al meteen dreigt een nieuwe ontkenningsfase, dit keer over de structureel politieke verantwoordelijkheid van dit falen. Die reactie is zo mogelijk nog dramatischer dan de inhoud van het VN-rapport zelf, want zonder een oprechte politieke mea culpa geen perspectief op reële verandering.

Wanneer gevangenen ontsnappen, wordt wel eens het ontslag van de bevoegde minister gevraagd. Bij een alarmerend klimaatrapport zou je verwachten dat regeringen overal ter wereld minstens een blaam krijgen. Niet dus. Ook niet bij ons. Daar zien we veeleer een omgekeerde reactie: milieuministers geven zichzelf een goed rapport. Zonder uitzondering doen zij hun best, het zijn de anderen die niet mee willen.

Federaal minister voor milieu Bruno Tobback las in het VN-rapport een "bevestiging van wat ik al jaren wist, voor anderen moet het een extra aansporing zijn het roer drastisch om te gooien" (Het Nieuwsblad, 3 februari). Zelf was hij kennelijk al jaren op de hoogte van het nakende drama. Maar een campagnethema werd het nooit, noch een breekpunt bij politiek overleg. Erlijkheidshalve schrijft hij dat laatste niet toe aan een algemeen politiek begrip voor de ernst van de situatie, wel aan het feit dat hij als minister de lat voldoende laag legde: "Ik heb binnen deze regering zelden tegen harde oppositie moeten opboksen als het over milieuthema's ging. Maar tot nu toe waren het de gemakkelijke maatregelen" (De Morgen, 3 februari).

De meeste kiezers ontdekten pas dat er een federale minister voor leefmilieu was toen de minister drie maanden geleden opdook naast een milieubewuste huisvrouw met recent verworven mediabekendheid. De late ontdekking kan liggen aan het feit dat België een half dozijn milieuministers en verwante staatssecretarissen heeft. Een van die andere ministers - de Vlaamse - wist na de bekendmaking van het VN-rapport te melden dat we ons hier voorlopig geen zorgen hoeven te maken: "Onze dijken zijn hoog genoeg." (De Tijd, 3 februari)

Het kan ook liggen aan een ministerieel gebrek aan dynamiek. Vorige maand verspreidde het kabinet van de federale minister twee persmededelingen: dat de minister de Europese energiedoelstellingen onderschrijft en dat hij vijf minuten de lichten van de pensioentoren zal doven. Vorig jaar waren er veertien persmededelingen, waaronder het bericht dat de minister naar de top van Naïrobi zou afreizen. Op die top liet hij iemand anders de toespraak houden namens België - meteen goed voor de enige ministeriële toespraak dat jaar op de website van het ministerie van leefmilieu. Op diezelfde website vormen dagboekfragmenten - niet eens van de minister - drie van de vijf actuaberichten' in 2006. Het laatste bericht in de rubriek Actua' staat op 17 november 2006: de minister reikt een prijs uit.

De federale minister van leefmilieu is ook minister van pensioenen. Daarover hebben zijn partij en andere partijen de voorbije jaren wél talloze doemscenario's gecommuniceerd. De angstberichten over de pensioenen en de werkgelegenheid waren dikwijls vergezeld van sneren naar bonden, burgers en bewegingen die "tegen de economie" zouden zijn.
Het zette een toon. Het werd het eeuwige excuus om onvoldoende inspanningen te leveren op het vlak van milieubeleid, mobiliteit en energie-omschakeling, want de biosfeer redden zou te duur zijn en buitenlandse economieën konden daarvan profiteren.

HET creëren van taboes is een belangrijke factor bij het bekomen van gedragsverandering. Te lang hebben politici verkeerde taboes gecreëerd in verband met onze omgang met het milieu. De kritiek vanuit de groene beweging over onze onverantwoorde omgang met fossiele brandstoffen werd weggewuifd als nodeloze onheilstijdingen. Makkelijker was het om zich te concentreren op sympathieke, veelal eenzijdige maatregelen, ook wel genoemd: de politiek van het haalbare. Terecht werden pogingen ondernomen om het openbaar vervoer te stimuleren, zonder evenwel de toename van het privé-vervoer op een geloofwaardige manier in vraag te stellen. De Vlaamse overheid promoot eco-driving (= energiebesparende rijstijl) bij individuen en vergroent de eigen dienstwagens, maar onderzoekt tegelijk hoe ze het aantal vluchten op Zaventem kan verdubbelen. Om geen klimaatneutraal ondernemerschap te moeten stimuleren, gingen we onredelijk veel emissierechten aankopen in het buitenland. België werd hiervoor teruggefloten door de Europese commissie.

Een ander populair doemscenario is het beeld van de massale immigratie, en dat we het OCMW van de wereld niet zijn - terwijl het gemiddelde jaarlijkse migratiesaldo (immigratie min emigratie) voor België tussen de 15.000 en 20.000 ligt, ofwel 0,15 procent van de bestaande bevolking. Doemscenario's gingen niet over woestijnvorming, verminderde watertoevoer, de strijd om fossiele grondstoffen en de lokale toename van spanning daardoor, wel over Afrikanen, Pakistani of Tsjetsjenen die beslisten om elders - bij ons - een normaal leven op te bouwen. Wijzen op het verband tussen de ecologische problematiek, het internationale energiebeleid en immigratie in België werd als sloganesk' weggewuifd.

Groene kritiek werd ook afgedaan als 'ideologisch' en dus onrealistisch, ja zelfs riskant. "Velen van ons zijn opgegroeid met het idee dat politiek gevaarlijk is", zei de Britse historicus Tony Judt onlangs. "Politiek was ideologie, ideologie was gelijk aan dogma, en dogma leidt tot totalitarisme." Na de tweede wereldoorlog werd ideologie' een scheldwoord. In The End of Ideology (1960) had Daniel Bell het over de uitputting van de grote politieke ideeën. De toekomst was aan de technocraten die hier en daar zouden bijsturen. "Vraag niet wat je land kan doen voor jou", klonk president Kennedy's positieve vertaling van deze terugtrekking van de politiek, "vraag wat jij kunt doen voor je land." De idee van een maakbare maatschappij kwam nog meer onder druk te staan in de jaren tachtig, net toen groene partijen op het toneel verschenen. De opmars van het vrijemarktdenken in de politiek liet geen ruimte voor wat denigrerend 'grote verhalen' werd genoemd. Overheden reduceerden zichzelf nog meer tot boekhouders van het private initiatief - wat op zich evengoed een ideologische opstelling is.

OOK in Vlaanderen werd het politieke devies: we lossen de problemen op wanneer ze zich stellen, en laten we realistisch blijven. Probleem daarbij was dat sommige problemen zich pas in een verre toekomst stellen, wanneer anderen oplossingen zullen moeten bedenken. Maakbare (in plaats van haalbare) ecologische doelstellingen naar voor schuiven hoorde niet tot de politieke cultuur, omdat dit als bedreigend werd ervaren voor economische wetten die net de ecologische catastrofe in de hand werkten. Vreemd genoeg ging geen enkele grote politieke partij voluit voor de tegenovergestelde boodschap, namelijk dat een goed milieu- en klimaatbeleid voeren op termijn net essentieel zou blijken voor de economie. Door dit inzicht niet te vertalen hebben politici zelf in belangrijke mate bijgedragen tot de impopulariteit van een ecologische economie. Wie de economie van de toekomst onophoudelijk voorstelt als een bedreiging voor de leefkwaliteit en voor de economie als systeem, kan niet verwachten dat individuele burgers vol vertrouwen een ommeslag maken.

In zo'n 'niet-ideologische' technocratie ligt de verantwoordelijkheid voor gedragsverandering cynisch genoeg niet langer bij overheden en politieke partijen (doen ze er nog wel toe?), wel bij de markt en de individuele consumenten. Typerend hiervoor is de boodschap die de Belgische premier bracht enkele uren na de publicatie van het VN-klimaatrapport: de gezinnen zullen 'iets' moeten doen. Op een inderhaast georganiseerd mediamoment lanceerde hij vaagweg al meteen een Kyoto Plusplan, terwijl de Europese Commissie nog maar net een blaam had gegeven aan België omdat het de weinig ambitieuze Kyoto-doelstelling niet haalt en de factuur van milieuschade doorschuift naar volgende regeringen.

"De gezinnen zullen hun gedrag drastisch moeten wijzigen", kondigde de premier aan, "en ook het verkeer zal zijn steentje moeten bijdragen." Met die analyse bestendigde hij de jarenlange weigering tot overheidsinterventie in het klimaatdossier.

Die interventie is nog steeds het grootste taboe. Ze is nochtans een noodzakelijke voorwaarde voor een mentaliteitsverandering bij de individuele burger. Het klimaatprobleem reduceren tot een individuele verantwoordelijkheid brengt mogelijke oplossingen immers niet dichterbij. In Heat legt Monbiot uit waarom dat zo is: "Allemaal willen we dat anderen volgens strengere codes leven dan de codes die we onszelf opleggen, wat verklaart waarom echte actie rond klimaatverandering onmogelijk is zonder overheidsinterventie." De motivatie voor gedragsverandering blijft slechts bestaan wanneer men zich geen nuttige idioot voelt, wanneer de overheid een kader schept waarbinnen bepaalde keuzes maken beloond wordt in plaats van gestraft. Wie fietst vrijwillig door weer en wind naar zijn werk, als alle collega's hoog en droog in hun auto's blijven voorbijschuiven? Wat helpen dikketruiendagen, als supermarkten winkelstraten mogen verwarmen met hun warmeluchtblazers? Wie krijgt aan zijn kind uitgelegd dat het het licht moet uitdoen, als aan de overzijde van de straat de lampen van de kantoorgebouwen de hele nacht blijven branden? Een overheid moet hier minstens de indruk van ongelijke kansen wegnemen.

In het verlengde van deze ontmoedigende onwil tot ingrijpen door de overheden ligt de opmerking dat "geen enkele minister voldoende hefbomen in handen heeft" om vooruitgang te boeken, en dat succesvolle maatregelen alleen kunnen als de wereldwijde consensus groot genoeg is' (federale leefmilieuminister, De Standaard 3 februari). Dit klopt niet. Elke doordachte bestuurlijke inspanning leidt tot succes en vele successen maken samen een doorbraak. Wie op consensus wacht, geeft toe dat hij van plan is te zitten suffen tot anderen tot de actie overgaan.

Na de bekendmaking van de VN-rapportresultaten kwamen vele politieke partijen op de proppen met de eerste ecologist uit eigen rang - elke partij leverde ooit wel eens een minister van leefmilieu - "en dat ze er dus al vroeg bij waren". Wezenlijke vragen stellen over de eigen politieke ideologie en de gevolgen ervan voor de klimaatcrisis is niet aan de orde.

POLITIEKE collega's met de vinger wijzen vormt hier de vluchtheuvel. Zij zijn het die onvoldoende inspanningen leveren of het nog niet door hadden en hebben. Hij noch zijn partij moeten een mea culpa slaan, vindt de federale minister van leefmilieu. "Het groene zit echt in onze genen" (De Morgen, 3 februari). Een voorbeeld: "Ik volg met stijgend afgrijzen de discussie over de logistieke missie van de Vlaamse economie. Plots moeten we de grote logistieke regio van de wereld worden." Onvermeld laat hij dat zijn partij zelf de logistieke missie onderschrijft, dat de minister van mobiliteit in die andere, Vlaamse regering een partijgenote is en dat alle sleutelposten op het vlak van mobiliteit in beide regeringen al jarenlang in handen van zijn eigen partij zijn. Of hoe strategisch het stilzwijgen bewaren binnen regeringen ook een optie kan zijn, wanneer beleidsopties worden genomen die negatief zijn voor het milieu. Om er dan vanuit een ander regeerniveau op te schieten. Twee keer prijs.

"Ik ken de oplossingen voor het klimaatprobleem. Alleen weet ik niet hoe ik daarna nog herverkozen raak." Het is de meest revelerende uitspraak van de federale milieuminister in de vele interviews die hij na 2 februari 2007 gaf. De vraag hierbij is: waarom zou hij überhaupt herverkozen moeten raken? Omwille van het voorgelegde palmares? Omdat niemand klaar staat om het beter te doen? Omdat hij gekende oplossingen verzweeg, terwijl hij naar eigen zeggen wel de ernst van de situatie inzag? Omdat hij werkzekerheid als politicus belangrijker acht dan plichtsbesef? Omdat degene die na hem komt toch zijn maatregelen zal terugschroeven, zoals hij zelf als reden opgeeft in een interview? Vanwaar dit wantrouwen tegenover opvolgers én kiezers?

De uitspraak is een pijnlijk eerlijke zelfanalyse en al twee decennia het politieke klimaateuvel bij uitstek: uit electorale berekening wordt gezwegen en niet gehandeld. Gebrek aan politieke moed haalt het op het nemen van politieke verantwoordelijkheid.

De soorten excuses zijn in deze tweede politieke ontkenningsfase schier onuitputtelijk: ecologisten ideologisch, onrealistisch en sloganesk blijven noemen - ditmaal in hun antwoorden; de eigen ideologie (of zogenaamde niet-ideologie) terzake niet in vraag stellen; taboes en doemscenario's aanhouden die tot verkeerde prioriteiten leiden; de uiteindelijke keuzeverantwoordelijkheid (willen we er iets aan doen of niet?) bij individuele burgers en de marktvraag leggen; zich verstoppen achter de toename van energieverbruik in nieuwe economieën die mogelijke milieuwinst bij ons tenietdoen; zeggen dat je onvoldoende hefbomen hebt en dat mondiale problemen nu eenmaal mondiale oplossingen vergen; creatieve boekhoudkunde blijven toepassen bij het niet behalen van doelstellingen; een selectief geheugen hanteren over de eigen inbreng in het gevoerde beleid; andere partijen en politici met de vinger wijzen; en we vergeten er nog wel een paar.

De ecologische situatie is te ernstig voor dit soort intellectuele oneerlijkheid. Twee graden: dat is de les van twee februari. Verder ontwijkingsgedrag is nefast, de zwarte Piet naar elkaar doorschuiven niet langer een optie, net zomin als de stap zetten van probleemontkenning naar antwoordverdoezeling om het eigen politieke project toch maar uit de wind te zetten. Nu moet integendeel de stap gezet worden van 'being in charge' naar 'being in control', van de leiding hebben naar resultaat boeken.

Manu Claeys is essayist

0 reactie(s):

:: zelf reageren ::

:: start ::

trackback

Een koppeling maken